Német-Holland szótár »

zeitig hollandul

NémetHolland
zeitig [zeitiger; am zeitigsten] Adjektiv

bijtijdsbijvoeglijk naamwoord

optijdbijvoeglijk naamwoord

tijdigbijvoeglijk naamwoord

vroegbijvoeglijk naamwoord

gleichzeitig Adjektiv

eigentijdsbijvoeglijk naamwoord

gelijktijdigbijvoeglijk naamwoord

simultaanbijvoeglijk naamwoord