Tysk-Holländsk ordbok »

je betyder på holländska

TyskaHolländska
jenseits

naardeoverkant

over

over...heen

overheen

der Jesuit [des Jesuiten; die Jesuiten] Substantiv
m

jezuïet substantief

jetzig adj

huidig

tegenwoordig

jetzt Adverb

nou bijwoord

nu bijwoord

tegenwoordig bijwoord

thans bijwoord

das Adjektiv [des Adjektivs; die Adjektive] Substantiv
n

adjectief substantief

bijvoeglijknaamwoord substantief

adjektivisch Adjektiv
adj

bijvoeglijk adjectief

majestätisch [majestätischer; am majestätischsten] Adjektiv
adj

majestueus adjectief

plechtstatig adjectief

statig adjectief

verheven adjectief

objektiv [objektiver; am objektivsten] Adjektiv
adj

objectief adjectief

zakelijk adjectief

subjektiv [subjektiver; am subjektivsten] Adjektiv
adj

subjectief adjectief

angehen [ging an; hat/ist angegangen jemanden um etwas] Verb
v

aangaan werkwoord

betreffen werkwoord

gelden werkwoord

raken werkwoord

anmerken [merkte an; hat angemerkt jemandem etwas] Verb
v

aantekenen werkwoord

noteren werkwoord

opschrijven werkwoord

teboekstellen werkwoord

anstecken [steckte an; hat angesteckt jemandem einen Ring] Phrase
v

aansteken werkwoord

besmetten werkwoord

infecteren werkwoord

verpesten werkwoord

auf jede Weise

alleszins

opallemanieren

opallewijzen

aufnötigen [nötigte auf; hat aufgenötigt jemandem etwas] Phrase
v

forceren werkwoord

opdringen werkwoord

aus jedem Grunde

omalleredenen

overalom

123