English-Dutch dictionary »

tricky meaning in Dutch

EnglishDutch
tricky [trickier, trickiest] (adept at using deception)
adjective
[UK: ˈtrɪk.i]
[US: ˈtrɪk.i]

listigbijvoeglijk naamwoord

listigebijvoeglijk naamwoord

tricky [trickier, trickiest] (hard to deal with)
adjective
[UK: ˈtrɪk.i]
[US: ˈtrɪk.i]

neteligbijvoeglijk naamwoord

neteligebijvoeglijk naamwoord

Your history