German-Dutch dictionary »

fass meaning in Dutch

GermanDutch
die Fassade [der Fassade; die Fassaden] Substantiv
f

façade substantief

gevel substantief

pui substantief

voorgevel substantief

voorpui substantief

fassen [fasste; hat gefasst] Phrase
v

aanvatten werkwoord

beetkrijgen werkwoord

beetnemen werkwoord

nemen werkwoord

oprapen werkwoord

pakken werkwoord

vangen werkwoord

vastpakken werkwoord

vatten werkwoord

die Fasson [der Fasson, der Fassons; die Fassons, die Fassonen] Substantiv
f

coupe substantief

fatsoen substantief

makelij substantief

snit substantief

vorm substantief

abfassen [fasste ab; hat abgefasst] Verb
v

componeren werkwoord

maken werkwoord

scheppen werkwoord

schrijven werkwoord

auffassen [fasste auf; hat aufgefasst] Phrase

bemerken werkwoord

gewaarworden werkwoord

merken werkwoord

vernemen werkwoord

waarnemen werkwoord

einfassen [fasste ein; hat eingefasst] Verb
v

afzetten werkwoord

beslaan werkwoord

garneren werkwoord

omboorden werkwoord

omzomen werkwoord

staanlangs werkwoord

stofferen werkwoord

uitmonsteren werkwoord

zomen werkwoord

die Fassung [der Fassung; die Fassungen] Substantiv
f

bestek substantief

grootte substantief

inlijsting substantief

12