German-Dutch dictionary »

azur meaning in Dutch

GermanDutch
der Azur [des Azurs; —] Substantiv

azuuro

hemelsblauwo

lazuuro

azurn Adjektiv

azurenbijvoeglijk

hemelsblauwbijvoeglijk

lazurenbijvoeglijk

die Mazurka [der Mazurka; die Mazurkas|Mazurken] Substantiv

mazurkasubstantief