Duits-Nederlands woordenboek »

ganz betekenis in Nederlands

DuitsNederlands
ganz Adverb

compleetbijwoord

finaalbijwoord

gansbijwoord

geheelbijwoord

heelbijwoord

helemaalbijwoord

totaalbijwoord

volbijwoord

volkomenbijwoord

volledigbijwoord

volslagenbijwoord

ganz nicht

allesbehalvebijwoord

helemaalniet

opgeenstukkenna

ganz und gar nicht

allesbehalvebijwoord

helemaalniet

opgeenstukkenna

das Ganze Substantiv

geheelo

totaalo

gänzlich Adverb

finaalbijwoord

geheelbijwoord

heelbijwoord

helemaalbijwoord

totaalbijwoord

volkomenbijwoord

volledigbijwoord

das Ganze

al

alles

degehelehoeveelheid

dehelehoeveelheid

die Ergänzung [der Ergänzung; die Ergänzungen] Substantiv

bepalingsubstantief
Sprachwissenschaft

complementsubstantief
Sprachwissenschaft

die Extravaganz [der Extravaganz; die Extravaganzen] Substantiv

buitennissigheidsubstantief

buitensporigheidsubstantief

extravagantiesubstantief