Duits-Nederlands woordenboek »

ernst betekenis in Nederlands

DuitsNederlands
der Ernst [des Ernsts, des Ernstes; —, (die Ernsts), die (die) Ernsts] Substantiv

ernstm

ernstigheidm

stemmigheidm

ernst [ernster; am ernstesten] Adjektiv

belangrijkbijvoeglijk

bonafidebijvoeglijk

ergbijvoeglijk

ernstigbijvoeglijk

serieusbijvoeglijk

stemmigbijvoeglijk

voornaambijvoeglijk

zwaarbijvoeglijk

zwaarwichtigbijvoeglijk

ernsthaft [ernsthafter; am ernsthaftesten] Adjektiv

bonafidebijwoord

ernstigbijwoord

serieusbijwoord

stemmigbijwoord

albern [alberner; am albernsten] Adjektiv

botbijvoeglijk

dombijvoeglijk

onbenulligbijvoeglijk

onnozelbijvoeglijk

schaapachtigbijvoeglijk

stombijvoeglijk

zwakhoofdigbijvoeglijk

ehern [eherner; am ehernsten] Adjektiv

bronzenbijvoeglijk

koperenbijvoeglijk

roodkoperenbijvoeglijk

fern [ferner; am fernsten] Adjektiv

afgelegenbijvoeglijk

verbijvoeglijk

verafbijvoeglijk

verafgelegenbijvoeglijk

ververwijderdbijvoeglijk

verwijderdbijvoeglijk

lüstern [lüsterner; am lüsternsten] Adjektiv

begerigbijvoeglijk

belustbijvoeglijk

gretigbijvoeglijk

happigbijvoeglijk

verlekkerdbijvoeglijk

nüchtern [nüchterner; am nüchternsten] Adjektiv

bezadigdbijvoeglijk

matigbijvoeglijk

nuchterbijvoeglijk

12