Duits-Nederlands woordenboek »

sicher [sicherer; am sichersten] betekenis in Nederlands

DuitsNederlands
sicher [sicherer; am sichersten] Adjektiv

gewisbijvoeglijk naamwoord

stelligbijvoeglijk naamwoord

vastbijvoeglijk naamwoord

vaststaandbijvoeglijk naamwoord

verzekerdbijvoeglijk naamwoord

wisbijvoeglijk naamwoord

zekerbijvoeglijk naamwoord