Duits-Nederlands woordenboek »

fahne betekenis in Nederlands

DuitsNederlands
die Fahne [der Fahne; die Fahnen] Substantiv

banierzelfstandig naamwoord

dundoekzelfstandig naamwoord

staartzelfstandig naamwoord

standaardzelfstandig naamwoord

vaanzelfstandig naamwoord

vaandelzelfstandig naamwoord

veldtekenzelfstandig naamwoord

vendelzelfstandig naamwoord

vlagzelfstandig naamwoord

wimpelzelfstandig naamwoord

die Fahnenstange [der Fahnenstange; die Fahnenstangen] Substantiv

vlaggemastzelfstandig naamwoord

vlaggestokzelfstandig naamwoord

Zoek geschiedenis