Nemčina-Holandčina slovník »

arm znamená v Holandčina

NemčinaHolandčina
der Arm [des Arms/Armes; die Arme] Substantiv

arm m

arm [ärmer; am ärmsten] Adjektiv

arm bijvoeglijk

armelijk bijvoeglijk

armoedig bijvoeglijk

beklagenswaardig bijvoeglijk

schamel bijvoeglijk

die Armatur [der Armatur; die Armaturen] Substantiv

anker substantief
Technik

armatuur substantief
Technik

das Armband [des Armbandes/Armbands; die Armbänder] Substantiv

armband o

die Armbrust [der Armbrust; die Armbrüste] Substantiv

boog substantief

handboog substantief

kruisboog substantief

voetboog substantief

die Armee [der Armee; die Armeen] Substantiv

heerschaar substantief

leger substantief

legermacht substantief

troepenmacht substantief

weermacht substantief

der Ärmel [des Ärmels; die Ärmel] Substantiv

mouw m

das Armenien

Armenië o

der Armenier [des Armeniers; die Armenier] Substantiv

Armeen m

Armeniër m

armenisch [armenischer; am armenischsten] Adjektiv

Armeens bijvoeglijk

der Armleuchter [des Armleuchters; die Armleuchter] Substantiv

kandelaber m

armselig [armseliger; am armseligsten] Adjektiv

benepen bijvoeglijk

enghartig bijvoeglijk

kleingeestig bijvoeglijk

die Armut [der Armut] Substantiv

armoede substantief

gebrek substantief

der Alarm [des Alarmes/Alarms; die Alarme] Substantiv

alarm m

onraad m

erbärmlich [erbärmlicher; am erbärmlichsten] Adjektiv

beklagenswaardig bijvoeglijk

belabberd bijvoeglijk

ellendig bijvoeglijk

erbarmelijk bijvoeglijk

miserabel bijvoeglijk

schamel bijvoeglijk

schunnig bijvoeglijk

stumperig bijvoeglijk

zielig bijvoeglijk

12

História vyhľadávania