Tysk-Holländsk ordbok »

essen betyder på holländska

TyskaHolländska
das Essen [des Essens; die Essen] Substantiv

Essen o

eten o

maal o

maaltijd o

nuttiging o

die Esse [der Esse; die Essen, —] Substantiv

haard substantief

haardstede substantief

openhaard substantief

schoorsteen substantief

schoorsteenpijp substantief

stookplaats substantief

vuurhaard substantief

die Essenz [der Essenz; die Essenzen] Substantiv

essence substantief

essentie substantief

kern substantief

wezen [wezens] substantief

wezenheid substantief

das Abendessen [des Abendessens; die Abendessen] Substantiv

avondeten o

avondmaal o

abmessen Verb

afmeten v

meten v

opmeten v

opnemen v

roeien v

uitmeten v

die Adresse [der Adresse; die Adressen] Substantiv

adres substantief

angemessen [angemessener; am angemessensten] Adjektiv

adequaat bijvoeglijk

betamelijk bijvoeglijk

bijbehorend bijvoeglijk

gepast bijvoeglijk

geschikt bijvoeglijk

passend bijvoeglijk

toepasselijk bijvoeglijk

aufessen

opeten werkwoord

verorberen werkwoord

aufmessen

afmeten werkwoord

meten

opmeten werkwoord

opnemen werkwoord

roeien werkwoord

12