German-Dutch dictionary »

weil meaning in Dutch

GermanDutch
weil

aangezien

daar

doordatvoegwoord

omdatvoegwoord

vermitsvoegwoord

want

wijl

die Weile [der Weile; —] Substantiv

duursubstantief

tijdsduursubstantief

weilen [weilte; hat geweilt] Verb

plakkenv

residerenv

verblijfhoudenv

vertoevenv

verwijlenv

wijlenv

einstweilen Adverb

daarentegenbijwoord

inmiddelsbijwoord

intussenbijwoord

vastbijwoord

voorlopigbijwoord

zolangbijwoord

einstweilig

vooralsnogbijwoord

vooreerstbijwoord

voorlopigbijvoeglijk

voorshandsbijwoord

nächtlicherweile

'snachts

sich langweilen

zichvervelen

verweilen [verweilte; hat verweilt] Verb

plakkenv

residerenv

verblijfhoudenv

vertoevenv

verwijlenv

wijlenv

zeitweilig Adjektiv

afentoebijvoeglijk

bijtijdenwijlenbijvoeglijk

bijwijlenbijvoeglijk

nuendanbijvoeglijk

vantijdtottijdbijvoeglijk