German-Dutch dictionary »

je meaning in Dutch

GermanDutch
je

eenmaal

eens

ooit

weleens

je ... desto

hoe...deste

jedenfalls Adverb

inelkgeval adverb

jedermanns

aller

ieders

jederzeit

altijd

immer

steeds

jedes adj

aller

ieders

jedesmal

telkens

jedoch Konjunktion

echter conjunction

maar conjunction

niettemin conjunction

toch conjunction

jeglicher

allerhande

allerlei

vanelkesoort

jemals Adverb

eenmaal adverb

eens adverb

ooit adverb

weleens adverb

jemand

eenofander

eenofandere

enig

iemand

jene

die

gindse

jener

gindse

jenes

dat

datdaarginds

datgene

gindse

zulks

jenseits

aandeoverkant

aandeoverkantvan

naardeanderekant

12