German-Dutch dictionary »

baufällig meaning in Dutch

GermanDutch
baufällig [baufälliger; am baufälligsten] Adjektiv

aftands bijvoeglijk

bouwvallig bijvoeglijk

gammel bijvoeglijk

uitgeleefd bijvoeglijk

uitgewoond bijvoeglijk

wrak bijvoeglijk

baufälliges Haus

kavalje o

kot o

krot o

rothuis