German-Dutch dictionary »

üblich meaning in Dutch

GermanDutch
üblich [üblicher; am üblichsten] Adjektiv

alledaags bijvoeglijk

gebruikelijk bijvoeglijk

gewoon bijvoeglijk

grof bijvoeglijk

ordinair bijvoeglijk

plat bijvoeglijk

vulgair bijvoeglijk

der Zimt (Plural selten oder unüblich) [Zimt(e)s; die Zimte] Substantiv

kaneel o

die Post [der Post; (selten oder unüblich:) die Posten] Substantiv

post substantief

posterijen substantief