Duits-Nederlands woordenboek »

schranke betekenis in Nederlands

DuitsNederlands
die Schranke [der Schranke; die Schranken] Substantiv

10.belemmeringzelfstandig naamwoord

11.beletselzelfstandig naamwoord

12.gemaalzelfstandig naamwoord

afsluitboomzelfstandig naamwoord

afsluitingzelfstandig naamwoord

baliezelfstandig naamwoord

balustradezelfstandig naamwoord

barzelfstandig naamwoord

barrièrezelfstandig naamwoord

damzelfstandig naamwoord

gezeurzelfstandig naamwoord

grenszelfstandig naamwoord

heiningzelfstandig naamwoord

hekzelfstandig naamwoord

hekjezelfstandig naamwoord

hinderzelfstandig naamwoord

hinderniszelfstandig naamwoord

hinderpaalzelfstandig naamwoord

leuningzelfstandig naamwoord

obstakelzelfstandig naamwoord

perkzelfstandig naamwoord

scheidsmuurzelfstandig naamwoord

slagboomzelfstandig naamwoord

sperdamzelfstandig naamwoord

spoorboomzelfstandig naamwoord

sta-in-de-wegzelfstandig naamwoord

stuwzelfstandig naamwoord

stuwdamzelfstandig naamwoord

versperringzelfstandig naamwoord

der Schrank [des Schrank(e)s; die Schränke] Substantiv

kastm

beschränken [beschränkte; hat beschränkt] (auf +AKK) Verb

begrenzenv

beknottenv

beperkenv

beperkingenopleggenaanv

der Bücherschrank [des Bücherschrankes, des Bücherschranks; die Bücherschränke] Substantiv

boekenkastm

einschränken [schränkte ein; hat eingeschränkt] Verb

begrenzenv

beknottenv

beperkenv

beperkingenopleggenaanv

die Assonanz [der Assonanz; die Assonanzen] (sich auf die Vokale beschränkender Gleichklang zwischen zwei oder mehreren Wörtern) Substantiv

assonantiezelfstandig naamwoord
Metrik

12

Zoek geschiedenis