dicţionar German-Olandez »

wesen înseamnă în Olandeză

GermanăOlandeză
das Wesen [des Wesens; die Wesen] Substantiv

essenceo

essentieo

kerno

wezeno

wezenheido

wesentlich [wesentlicher; am wesentlichsten] Adjektiv

essentieelbijvoeglijk

inessentiebijvoeglijk

inwezenbijvoeglijk

wezenlijkbijvoeglijk

abwesend Adjektiv

afwezigbijvoeglijk

die Abwesenheit [der Abwesenheit; die Abwesenheiten] Substantiv

absentiesubstantief

afwezigheidsubstantief

mangelsubstantief

uitstedigheidsubstantief

versteksubstantief

verzuimsubstantief

anwesend Adjektiv

aanwezigbijvoeglijk

presentbijvoeglijk

tegenwoordigbijvoeglijk

das Einzelwesen [des Einzelwesens; die Einzelwesen] Substantiv

enkelingo

individuo

sujeto

sein [ich bin, du bist, er/sie/es ist, wir sind, ihr seid, sie sind; war/ ist gewesen] Verb

haarwerkwoord

verkerenwerkwoord

wezenwerkwoord

zichbevindenwerkwoord

zijnwerkwoord

verwesen [verweste; hat/ist verwest] Verb

bedervenwerkwoord

rottenwerkwoord

vergaanwerkwoord

verrottenwerkwoord